Categorie archief: Natuur

Geen zuchtje wind

Een dagpauwoog droogt zijn vleugels in de zon
De blauwe bak met water schittert in het licht
Je zonnebril wringt glinsterende druppels van zich af
zwembad_palmbomen
Mijn uitgestoken hand, jij grijpt hem
En samen staan we in het gras
’n Lijn loopt langs ons lijf door naar de hemel

We waren net op tijd voor de zonsondergang
Een uitstorting van kleuren in de lucht
Heel even lijkt het leven eeuwigdurend.

De Japanse hamerkophaai

familiebootHet was een zomerse ochtend in de haven. De kade was leeg en verlaten. De bovenkant van de vuurrode Japanse zon kwam net omhoog boven een strak afgetekende horizon. Een zwerver sliep zijn roes uit op het afgebladderde vissersbankje. Oude verweerde geteerde palen stonden in het water.

Een boot kwam aangevaren. Het was een oude aak met een houten dek, goed in de verf, met in het grootzeil het familiewapen in rode tekens. Aan boord de oude visser Davi-Ju. Hij was om vier uur ’s ochtends uitgevaren om de netten binnen te halen. Hij viste al zijn hele leven en onderhield daarmee zijn gezin. Er was geen vis zo slim dat hij kon ontsnappen uit de netten van Davi-Ju.

Maar de visserij in Fukushima was in één klap weggevaagd. Sinds het ongeluk met de kerncentrale, met de lekkage van duizenden liters levensgevaarlijk radio-actief water in de zee, was er geen mens meer die nog vis wilde eten uit Fukushima. Uit de baai van Fukushima kwamen ansjovisjes met gebobbelde ogen en zweren op de huid. Het viswarenhuis was verlaten. De haven in verval. Kapotte ramen, oude natte dozen op straat. Overal waaide gescheurd plastic inpakmateriaal rond.

Het was tijd om te verhuizen en zijn geluk ergens anders te beproeven. Maar waarheen? Zijn vader had hier gevist. Zijn opa had hier gevist. Davi-Ju kon niet anders dan vissen. Voor de school had Davi-Ju zich nooit geïnteresseerd. Niet dat hij niet kon leren. Maar de zee bracht hem meer. De glinsterende golven trokken hem aan en het geruis van de branding streelde zijn oren. Denkend aan de oceaan vlamde zijn hart op zoals de Japanse zon. En tegelijkertijd huilde zijn hart. Die lieve zee, nu vol met uitgebraakt giftig water. Davi-Ju voelde zich misselijk worden.

Zou de hamerkophaai hem hierbij kunnen helpen? De hamerkophaai. Na jarenlang vissen was dit zijn absolute favoriet. De plompe snuit met de dwarse kop. De spekgladde maar toch ruwe huid met ragfijne stekeltjes. Spieren als kabels onder de huid. Altijd op jacht naar een prooi. Hij had de hamerkophaaien nog maar weinig gezien de laatste dagen. Waar waren ze naar toe gegaan?

Ji-Jun kwam haastig aangelopen met hun zoon op de kade. ‘DAVI-JU! Neem onze jongen No-Aki eens mee de zee op. Dat vindt hij prachtig, om samen met jou te gaan. Maar jij bent altijd maar druk druk druk en in gedachten verzonken. Denk maar niet dat je op die manier achter de waarheid komt!’

De zon kwam op. Felrode strepen trokken langzaam omhoog, tegen het hemelsblauw van de lucht en de azuurblauwe oceaan. Een meeuw met zwart-witte strepen scheerde krijsend over het water. Een warme gloed stroomde door het gezicht van Davi-Ju. Hij voelde zijn wangen opblossen. Vooruit. Hij legde zijn hand op de wang van Ji-Jun en nam No-Aki mee z’n boot op.

Ze waren een uurtje op zee en No-Aki was bezig te leren hoe de netten te hijsen en de zeilen te reven. Ineens dook langszij de haai op met zijn grote snuit, de ogen met gespleten pupillen aan weerszijden van de hamerkop. Davi-Ju en No-Aki stonden een moment als vastgenageld aan het geteerde dek met de smalle houten latjes. Zo snel als de haai kwam was hij er alweer vandoor. ‘Achter hem aan! No-Aki, aan de fok!’ No-Aki, al een sterke jongen voor z’n leeftijd, lachte, pakte het touw, en trok de fok strak. De boot draaide en Davi-Ju trok het grootzeil aan. De wind klapperde in het zeildoek. De boot ontwikkelde vaart, sneed als een zaag door de golven.

De haai zwom vlak onder het water, af en toe zijn platte kop omhoog draaiend zodat de pupillen zichtbaar werden. Het beest was in z’n element. De boot kraakte, werd op de proef gesteld. Ze voeren zo scherp aan de wind als ze maar konden. De zeilen floten, zongen. Davi-Ju was in zijn element. De ogen van No-Aki stonden wijd open. Scherp zag No-Aki de donkergrijze hamerkophaai onder de golfkopjes door razen. Hij zag zichzelf in de toekomst fier achter het roer van de familie-aak. Kon hij tegen zijn vader op? Hij lachte weer met een klinkende stem toen hij als eerste zag dat er een eilandje in zicht kwam. Palmbomen en varens en een diepe baai met opgeworpen zwarte rotsen.

De hamerkophaai dook diep weg naar onderen. Waar had hij hen gebracht? Waarom verdween hij zo plotseling? Ze hadden dit eiland nog nooit gezien. Het lag in een heel gunstige stroming ver van de vuile kerncentrale vandaan. Het vergiftigde water zou hier niet snel komen of alleen sterk verdund. Ze moesten bijna twee uur hebben gevaren, noordwaarts langs de kust.

De baai waar ze nu waren lag boordevol met ansjovis. De kleine visjes zwommen in grote cirkels, in een grote school, samen de vorm makend van een grote vis, om de hamerkophaai af te schrikken. Tot in de diepte waren ze te zien, steeds grijzer lijkend hoe dieper je keek. Davi-Ju en No-Aki gooiden hun netten uit en de zon was nog geen stukje gedraaid aan de hemel of ze konden het net alweer inhalen, barstensvol spartelende visjes. Levendig en met kleine glinsterende oogjes. Zoals de ansjovis eruit hoorde te zien. Davi-Ju lachte. Hij dankte de vuurrode Japanse zon en de hamerkophaai.